Stel, uw buurman wordt vermoord door een overvaller. De politie belt bij u aan, want u kan iets gezien hebben. U bent net uw baard aan het afscheren. Later blijkt uit getuigeverklaringen dat de overvaller een man met een baard was.Wat doet dan een gezagsdrager? Die gaat uitzoeken wat u voor een persoon bent. Of u eerder al rare dingen hebt gedaan enzovoorts. U mag voor een gesprek op het bureau komen, waar het verhoor bijvoorbeeld zo gaat:
- Mogen wij eens bij u komen kijken, meneer?
- Ja hoor. Uiteraard.
- Wat voor schoenmaat heeft u?
- 42.
- Hmm. En u heeft geen grotere schoenen in huis?
- Nee.
- Ook nooit gehad?
- Nee hoor, ik heb alleen schoenen die me passen.
- Uw baard hè, daar zitten we mee...
- Ik heb hem er af gehaald, ik zat er ook mee.
- Waaróm zat u er mee?
- Ik vond hem niet mooi meer.
- En toen ging u hem er, juist op dat ogenblik, maar afscheren?
- Ja.
Zo gaat het overal ter wereld in politiebureau’s. Waar de Nederlandse politie verder nog in uitsteekt, in bijvoorbeeld het geval van een niet bebaarde overvaller (de rest van het verhaal is hetzelfde), is het snel vinden van verdachten. Men zal u als buurman bijvoorbeeld vragen:
- Hoe was uw relatie tot uw buurman?
- Goed. Dat wil zeggen, we zeiden hallo tegen elkaar.
- Maar meer dan hallo was het niet, denk ik. Was het niet?
- Het was meestal niet meer dan hallo. Dat klopt.
- Dus zo goed was jullie relatie niet.
- Ik heb betere relaties, ja.
- Meneer, we weten dat u het gedaan heeft. Bekent u nu maar.
- Ik heb niets gedaan, dus ik beken ook niets.
- Maar alle feiten wijzen in uw richting, meneer.
- Maar mijn schoenmaat, mijn baarddracht, mijn lengte, mijn leeftijd wijzen níet in mijn richting!
- Jaha, u kunt het mooi vertellen!
Ik waarschuw slechts.