Posts tonen met het label schaken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label schaken. Alle posts tonen

donderdag 19 maart 2009

Onderwijzer worden

Als je vroeger onderwijzer wilde worden, moest je naar wat zo terecht een Kweekschool genoemd werd, en wat nu een Academie geworden is, waar de jongens en meisjes niets meer leren.
Ik wou niet naar een Kweekschool, want ik dacht dat ik het allemaal zo wel kon: de beste onderwijzers zijn de beste verhalenvertellers, heb ik altijd gevonden, en ik kon vrij aardig verhalen vertellen.
Er kwamen twee kinken in de kabel: de CITO-toets, en de depressies die ik na mijn 17e kreeg. Door die depressies kon ik ook niet meer Nederlands gaan studeren. Dat vond ik trouwens een waardeloze studie: de boeken die je moest lezen, had ik allemaal al gelezen en ik was zeker niet van plan ze nog eens te gaan herlezen. Vestdijk herlezen! Kom toch.
Ik wilde Nederlands gaan studeren, omdat je dan leraar Nederlands kon worden op een middelbare school. Maar ik had ook bezwaar tegen het aanleren van wat nu bijvoorbeeld een meewerkend voorwerp was in een zin. Ook voor een leraar Nederlands geldt: kun je verhalen vertellen, of kun je dat niet? Dat vond ik en dat vind ik nog steeds. Je neemt een stuk van Max Havelaar of je neemt het kwatrijn Onrust van Jacob Israël de Haan:
Die te Amsterdam vaak zei: ‘Jeruzalem’
En naar Jeruzalem gedreven kwam,
Hij zegt met een mijmrende stem:
‘Amsterdam. Amsterdam.’
Daar vertel je over, je vertelt over de vreselijke heimwee, waar je zelf ook zo aan lijdt. Je vertelt over het Amsterdam van een eeuw geleden, het Jeruzalem van een eeuw geleden, je vertelt over Jacob Israël de Haan, noem maar op.
Zoals ik al zei: door mijn depressies ben ik zeer beperkt geweest in mijn beroepskeuze. Tenslotte ben ik zetter geworden in een paar drukkerijen. Ik ben overigens nog wel onderwijzer geworden: schaakonderwijzer. Dat was in de tijd van Andersson, Ljubojevic, Timman en Karpov. Mijn mooiste moment: toen een klein jongetje, nauwelijks acht jaar oud, volkomen onverwachts slaagde voor zijn Pionnendiploma.

donderdag 12 maart 2009

Het vele oponthoud

De vreemdste schaakpartij die ik gespeeld heb, was Ben Hoogeboom - Karel de Winter (Limmen, 3 september 1974). Het verloop van die partij was als volgt:
1. e2-e4
Ik speelde met wit altijd 1. e4 en vervolgens de meest avontuurlijke systemen, waarbij ik speciaal veld b4 in de gaten hield. Veld b4 moest in wits macht komen. Dat was ook mijn idee in deze partij.
Karel de Winter was directeur geweest van Wagenpracht Limmen B.V., maar hij had het directeursschap aan één van zijn zoons (Kees) overgedragen. Hij was een oudere man, die niet veel meer zag in het leven. Ik had hem ontmoet doordat ik een briefje op het mededelingenbord in de Vivo-supermarkt had zien staan: ‘Schaker zoekt schaker om ’s middags eens te komen schaken.’
Ik dus naar hem toe op de bewuste derde september van het jaar 1974. Ik deed mijn zet e4 en toen ging Karel in de denkhouding zitten: zijn handen tegen zijn oren, zijn ogen gesloten.
We hadden de schaakklok op twee uur ingesteld, dus de partij kon op zijn langst vier uren duren. Schaken is een sport waarvoor je enig geduld moet kunnen opbrengen, dus zo vreemd vond ik het niet dat Karel na een half uur nog geen tegenzet had bedacht. Maar na anderhalf uur begon ik me zorgen te maken. Ik tikte hem licht op de schouder, maar het had geen effect.
Die slaapt, dacht ik. Of misschien is hij wel... dood!
Ik begon nu te schreeuwen: ‘Meneer De Winter! Meneer De Winter!’ Ook geen reactie.
Toen besloot ik Wagenpracht Limmen te bellen. Ik zei een meisje om me Kees de Winter te geven. Kees kwam aan de telefoon en ik zei hem: ‘Ik vrees dat je vader kassieweilen is.’
‘Nee hoor,’ klonk plotseling de stem van Karel achter me. ‘Ik heb je alleen maar een praktische levensles gegeven. Het was een geintje van me.’
‘Daar ken ik er ook een paar van,’ zei ik. Ik liep naar het schaakbord toe en noteerde op het notatieformulier: ‘1-0, door tijdsoverschrijding’.

dinsdag 6 januari 2009

Het goede voorbeeld

- Jij bent schaakcoach geweest.
- Schaaktrainer ja, een jaar of twaalf.
- Toch was je geen groot schaker.
- Nou, ik heb een keer remise gemaakt, in een simultaanpartij, dat wel, tegen Jan Hein Donner.
- Vertel daar eens wat meer over.
- Ik was zestien. Tja, het was een Grünfeld-Indiër met g3 en c6, een ouderwetse, vervelende variant. Van de doden niets dan goeds, maar Donner vond ik een slecht opgevoed mens. Hij gaf me zo’n half handje toen we remise hadden gemaakt en vloekte er binnensmonds bij.
- Maar dat is eigenlijk je enige schaakprestatie.
- Ja.
- Toch ben je schaaktrainer geworden.
- Ja.
- Waar?
- In Alkmaar. Op een paar scholen, en op een schaakclub. Het was in de jaren dat Jan Timman het toneel nog beheerste, met mensen als Karpov, Andersson, Kortsnoj en later natuurlijk Kasparov.
- Hoe gaf je les?
- Dat weet ik eigenlijk niet meer. Ik zorgde dat ik voor ieder uur dat ik les moest geven, een verhaal had.
- Dat verhaal schreef je ook van tevoren op?
- Nee. Dat verhaal bedacht ik en daar knoopte ik dan een paar schaakstellingen aan vast. En ik zorgde voor wat huiswerk dat de kinderen moesten maken. Ik gaf ze bijvoorbeeld een stelling uit het Gesloten Spaans, en dan zei ik: speel met wit en met zwart de volgens jou sterkste zetten, en leg uit waarom je die zetten speelt. Dat huiswerk leverden ze dan de volgende week bij me in en dan was ik een avond bezig met hun vondsten. Daar schreef ik dan weer over, dat was mijn huiswerk, en dat gaf ik ze dan de volgende week. Teksten zoals Aha, slim, attractief en agressief spel. Het lijkt wel op het spel van grootmeester Efim Geller! rolden er gemakkelijk uit. Daar deed ik dan een partijtje bij dat Geller gespeeld had. Zo werkte ik.
- Interessant. Zijn er nog kinderen van je doorgebroken?
- In het schaken? Nee hoor. Het zijn wel allemaal goede mensen geworden, maar ik geloof niet dat dat door mijn lessen is gekomen. Schakers, dat is over het algemeen goed volk.