Posts tonen met het label jeugd. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jeugd. Alle posts tonen

woensdag 8 oktober 2008

Eenvoudige regels

Dit is een stukje voor Wouters dochter. Hallo, hoe heet je? Dat weet ik niet, dus bedenk ik een naam: Kitty!
Ik ben vroeger net zo verlegen geweest als jij bent, Kitty. Ik kon geen woord uitbrengen als ik voor de klas stond en iets moest zeggen. Ik bloosde ook vreselijk en ik ging een beetje zweten. Al die mensen die me maar aankeken, ik werd er gewoon nerveus van.
Je zult wel begrijpen dat ik nooit in een feeststemming was als ik een spreekbeurt moest houden. Er kwam geen normaal woord uit me.
Ik zal je nu vertellen wat je daaraan kunt doen, Kitty. Let op!
Het gaat om drie dingen. Op de eerste plaats moet je zogenaamd naar het toilet, vlak voordat je je spreekbeurt moet houden. In het toilet gooi je wat water in je gezicht, en dat veeg je dan weer af. Klaar! Je bent nu lichamelijk fit om er aan te beginnen!
Maar ten tweede: de voorbereiding. Die is uiterst belangrijk. Wat kun je zoal doen om een spreekbeurt voor te bereiden? Je hebt het al geraden: die spreekbeurt opschrijven, van begin tot eind. Gewoon helemaal opschrijven op je computer. Waar werk je in? In Microsoft Word? Google Docs? Open Office? Het maakt niet uit, want die doen allemaal ongeveer hetzelfde.
Als je denkt: dit is een goede spreekbeurt, dit kan ik voorlezen - dan print je het uit.
Ik zal je nog een paar handige tips geven voor het schrijven. Op de eerste plaats deed ik er (in cursieve letters) zogenaamde regie-aanwijzingen bij, zoals ‘Publiek lacht hier’ of ‘Ernstig kijken’.
Die regie-aanwijzingen lees je natuurlijk niet op, maar ze geven je wel een seintje: o ja! Nu komt dit, nu moet ik dat doen! Bij ‘Publiek lacht hier’ bijvoorbeeld, na een grappige opmerking in je tekst, moet je het publiek ook gewoon uit laten lachen. Dus even wachten met doorgaan.
En in de tweede plaats zorgde ik altijd voor een goede eerste zin en een goede laatste zin.
Een goede eerste zin voor een spreekbeurt over de Elfstedentocht van 1963 is bijvoorbeeld: ‘Vroeger was het nog koud in de winter.’ Als je eens een spreekbeurt over Afrika moet houden, kun je bijvoorbeeld zo beginnen: ‘In de negentiende eeuw zei men Donker Afrika. Niet omdat er negers woonden, maar omdat het één grote jungle was en niemand er de weg wist.’
Ik had steeds dezelfde laatste zin. Het maakte niet uit waar mijn spreekbeurt over ging, ik eindigde steeds met: ‘Dit is toch zeer eigenaardig!’ En ik werkte ook bij het schrijven van mijn spreekbeurten toe naar die eigenaardigheid. Als je bijvoorbeeld een spreekbeurt moet houden over een boek dat je net gelezen hebt, en je hebt opgemerkt dat de schrijver steeds maar het werkwoord ‘gaan’ gebruikt waar het niet nodig is - dan kun je drie vier voorbeeldjes achter elkaar zetten en eindigen met ‘Dit is toch zeer eigenaardig!’
En nu het derde en laatste ding, Kitty. Je wilt natuurlijk beloond worden voor je spreekbeurt, en niet alleen met een z.g. Vroeger hadden we daar cijfers voor; een z.g. was een 8, 9 of 10. Dat was wel zo duidelijk, vind ik. Je moet dit op je school maar eens opnoemen, waarom ze geen cijfers geven.
Maar je zou naar je vader kunnen gaan, en hem zeggen: ‘Pap. Als ik vandaag voor mijn spreekbeurt een z.g. haal, krijgen we dan vanavond iets heel lekkers, dat ook heel ingewikkeld is om te maken?’ Reken er maar op dat zijn antwoord ‘Nou en of!’ zal zijn.

donderdag 4 september 2008

Leuke tijd

Ik ben geboren in 1953, en de leukste tijd van mijn leven - na de huidige - is mijn jeugd geweest. Ik ben beschermd opgevoed door twee ouders die er geen verstand van hadden hoe dat nou moest. Professionele opvoeders waren ze zeker niet. Op mijn negende kreeg ik een bril en ook op mijn negende kwam er een bibliotheek in mijn geboortedorp. Ik besefte meteen dat ik nu alles kon lezen wat er geschreven was. Heerlijk gevoel, ik herinner me nog dat ik dat voelde.
Ik ben nog steeds een beetje jaloers op mensen die Pnin of Tsjevengoer nog niet kennen. Die kunnen die boeken nog lezen, denk ik dan. Ikzelf heb alleen Don Quichote nog niet gelezen, maar dat ga ik zeker nog eens doen, en dan heb ik de hele wereldliteratuur zo ongeveer wel gehad.
We liepen eens een rondje door het dorp - het moet wel op een zondagmiddag zijn geweest, moeder aan de kinderwagen met een volgend zusje erin, vader had mij aan de hand. Toen zegt hij: ‘Ik heb een raadsel voor je, Ben. Goed luisteren. Wat hangt er aan de wand boven de piano, is oranje, nat - en kan brullen?’
Ik fronste mijn wenkbrauwen, maar ik had geen idee, dus ik zei: ‘Ik heb geen idee.’ We moesten volgens vader altijd precies zeggen wat we dachten. Een goed advies, vind ik nog steeds.
Vader zegt: ‘Een haring!’
Ik zeg: ‘Een haring? Maar die hangt toch niet boven de piano?’
‘Dan hang je hem daar op,’ zegt mijn vader.
‘En een haring is toch niet oranje?’
‘Dan verf je hem oranje.’
‘En een haring is toch niet nat?
‘Als je hem geschilderd hebt, dan is hij nat.’
‘Ja maar... een haring kan niet brullen!’
‘Dat klopt,’ zei mijn vader met een glimlach, ‘dat brullen heb ik alleen maar genoemd om het raadsel moeilijk te maken.’ Mijn moeder lachte hartelijk. Mij was de pointe van de grap ontgaan, maar ik lachte hartelijk mee.
Dat soort opvoeders, wil ik maar zeggen. Op mijn zeventiende kreeg ik mijn eerste depressie en toen was de grootste lol er wel van af.

maandag 25 augustus 2008

Sterk moet je zijn

Op een dag kwam ik verslagen thuis. Het was in maart of april 1964, ik was tien jaar oud. Sinds ik kan schrijven (sinds mijn vijfde jaar) heb ik een dagboek bijgehouden, en dat dagboek moest ik eens meenemen naar de lagere school. Meester Briefjes wou dat dagboek wel eens zien. U kunt zich misschien voorstellen met hoeveel trots ik dat dagboek meenam. Het was een dik cahier, dat wel 250 pagina’s telde. Elk jaar kreeg ik op 24 september (mijn verjaardag) zo’n cahier cadeau, en dat vond ik voldoende. Verdere cadeau’s konden me niet schelen.
Meester Briefjes (die van zijn voornaam IJs heette; ik heb dat heel lang een uiterst vreemde naam gevonden, totdat ik van een klasgenoot hoorde dat het een afkorting was van IJsbrand, wat ik nog vreemder vond) nam mijn dagboek in zijn handen en begon te lezen. Toen zei hij: ‘Even stil wezen, jongens. Ik heb hier het dagboek van Engelbertus Johannes Maria Hoogeboom, roepnaam Ben. Zo staat het op het etiket op de kaft. Ben heeft op 11 maart het volgende geschreven: Mevrouw Nuyens, die op de Dusseldorperweg, tegenover de kaasmakerij woont, is een mevrouw die met haar twee honden in een huis woont dat veel te groot is. Bovendien is mevrouw Nuyens gek. Ze heeft elf perebomen in haar achtertuin staan, want ik heb ze geteld gisterochtend, voordat ik naar school ging. Ik ging haar hekje in en die twee honden waren heel fijne beesten, als je maar niet gaat rennen. Dus elf perebomen. Als je nu rekent dat er per pereboom zeker 25 peren afkomen, dan heb je in een seizoen dus 275 peren. Minstens. Dus ik plukte een peer, en mevrouw Nuyens had me gezien en riep: Wat doe je daar, stoute jongen! Dus ik moest vluchten en die twee honden deden niets en ik kon gewoon naar school. Wat mij zo geweldig dwarszit is ten eerste. Dat mevrouw Nuyens zo groot woont dat ze wel vier of vijf kostgangers kan nemen, maar dat niet doet, zodat ze gek is. En ten tweede: wat moet mevrouw Nuyens met zoveel peren? Daar wordt je toch niet goed van? Tot zover, jongens. Ben, prachtig opgeschreven. Mijn complimenten. De rekensom is ook helemaal goed: 11 maal 25 peren, dat is 10 maal 25 is 250 plus één maal 25 is 275 peren. Maar! Ben heeft wel een fout tegen de grammatica gemaakt. Hij schreef: Daar wordt je toch niet goed van met wordt met dt. Weet iemand wat het moet zijn?’
Ik ging door de grond en vond het zeer vernederend. Toen ik thuis kwam, zei mijn vader: ‘Meester Briefjes maakt zelf ook wel eens een schrijffout, daar moet je je niets van aantrekken. Sterk moet je zijn.’ Dat ik nu nog steeds deze stukjes schrijf, die overigens niets meer met de alledaagse werkelijkheid uitstaande hebben, komt mede door mijn vader zaliger.