maandag 15 december 2008

Een levendig betoog

Naar aanleiding van Wouters treurige ervaring, eenzelfde ervaring die mij al jaren uit de theaters houdt, hier een paar aanwijzingen voor de dames en heren acteurs en actrices.
Eerste aanwijzing. U moogt het nog niet opgemerkt hebben, dames en heren, maar er bestaan al tien jaar lang uitstekende snoerloze microfoontjes die u onopvallend kunt dragen. Dus u hoeft u niet meer zo te misdragen zoals Ko van Dijk jarenlang heeft gedaan. Gewoon praten moet u, zoals u de hele dag doet.
Tweede aanwijzing. U moet u niet meer zo aanstellen, zoals bijvoorbeeld op de foto. Stopt u daarmee. (Die foto is uit hetzelfde stuk van Shakespeare, maar hier heette het De getemde feeks in plaats van het correcte Het temmen van de feeks.)
Derde aanwijzing, voor de toneelschrijvers en vertalers. Heren. Dames. U moet stukjes tekst maken die een normaal iemand kan uitspreken. Vertalers: houd u strikt aan de originele tekst. Verzin er niets bij, haal er niets van af. U kunt het toch niet beter doen dan Albee, Tsjechov of Shakespeare.
Vierde aanwijzing, voor de toneelscholen. U mag wel stoppen met de oefening ‘Doe eens alsof je een sinaasappel bent’. Aanbevolen oefening: ‘Houd eens een betoog’.
Vijfde aanwijzing voor de dramaturgen. U bent overbodig geworden.
Zesde aanwijzing voor de regisseurs. U bent een redelijk mens. U wilt dus graag werken met andere redelijke mensen. Schopt u ieder die dat niet is, eruit.

zondag 14 december 2008

Een grote troost

Het NCMD (Nationaal Congres Manisch Depressieven) is ook weer geweest, gisteren, en de thuisblijvers hadden weer eens ongelijk. Er waren natuurlijk wel wat hamerstukken (zoals ‘Gebruikmaking van de achterwielen van een Connexxion-bus’) en nog wel meer vervelende dingen van het presidium, maar ook werden er verschillende moties uit het in groten getale opgekomen publiek besproken en ook aangenomen.
Het blijft toch weer elk jaar een mooi gezicht, al die manisch depressieven bij elkaar. U moet volgend jaar ook komen!
P.Z. uit Huizen bijvoorbeeld hield een levendig betoog over het in elkaar zetten van een dodelijk auto-ongeval, dat in zijn simpelheid uiterst werkzaam zal blijken te zijn, en dat we, na lezing in een krant, wel ‘een peezetje’ zullen gaan noemen. Knap gedaan, P.Z.!
U. van der V. uit Dordrecht had nog het idee om een telefoonpaal in stukken te zagen, maar zij werd ruw onderbroken door enkele Groningers, die schreeuwden: ‘Telefoonpaal? En waar vind’n wij die dan!?’
Met instemmend gejuich werd een brief begroet van wijlen K.L. uit Meerssen, die het congres onder meer schreef:
Laat weten dat ik er morgen een eind aan maak. Ik moet naar psychiater Van Roozum, morgen. Ik ga voor hem staan, schud hem de hand, haal dan een revolver uit mijn jaszak en dan schiet ik me voor mijn kop.
Zo heeft het zich inderdaad afgespeeld, de heer Van Roozum was not amused. Hij sprak in een krantenartikel van ‘een tragisch ongeval dat zich heeft voorgedaan in mijn spreekkamer’. Het was jammer dat iemand ‘Stinkpsychiaters!’ riep, want binnen een minuut was de hele zaal het met de man eens, en zo kwam het dat de vergadering niet geheel ordelijk werd besloten.

zaterdag 13 december 2008

Nimmer zal ik meer wenen

Dit is een regel uit een van de honderden Spaanse copla’s van mijn favoriete Nederlandse dichter: Hendrik de Vries (1896-1989). Hij is voor de wat zwaarmoedig aangelegden een grote troost. Hier is een copla die ik nog mooier vind:
Daar blijven op aarde twee vragen
Waar wijzen geen antwoord op weten:
Hoe moet men het leven verdragen,
En hoe moet men leren vergeten?
Het is alleen jammer dat het vier keer een vrouwelijk rijm is, dat het niet vraag - weten - verdraag - vergeten is. Dat soort vragen kun je meer hebben bij zijn poëzie.
Ik ben in het bezit van De Vries’ Verzamelde Gedichten, uitgegeven in 1993 bij Uitgeverij Bert Bakker. Het is een machtig boek van wel 1950 pagina’s dundruk, waar wijlen Willem Wilmink één van de tekstbezorgers van was.
Ik zit er nog af en toe in te lezen.

vrijdag 12 december 2008

De heer Maarten Biesheuvel

Als Eva niet kan, dan kom ik ook niet, dat kunt u wel vergeten! Maar vooruit, daar zitten we dan, op een zonnige decemberdag midden in Amsterdam. Eva is naar binnen gegaan om met de mensen te praten, dan kunnen wij mooi overleggen over de wereldcrisis. Het is beter weer dan we hadden mogen verwachten, niet? Toen wij vanochtend ons stulpje verlieten, regende het pijpestelen, wat u, maar de regen brengt zegen. De regen brengt ook nattigheid, dat is waar, en je kunt ook nergens fatsoenlijk een sigaartje savoureren, maar toch ben ik blij als het af en toe flink gieten kan. Jawel! Het brengt gezondheid en levenslust in het gepolderte. Trouwens, over sigaren gesproken, ik heb een bolknak van de firma Willem II, ziet u wel, en als u dan een vuurtje hebt? U heeft geen vuurtje. Rookt u in het geheel niet, of bent u het net als ik vergeten? Ik draag meestal twee aanstekers van het merk Atomic op zak, maar vandaag niet, want mijn broek is gewassen en ik heb vergeten wat spullen in mijn zakken te doen zoals elastiekjes, paperclips, veterdrop, een bitterkoekje voor als ik onderweg trek krijg. We gaan nú op zoek naar een winkel waar men lucifers of aanstekers verkoopt. Loopt u met mij mee? Wat loopt u raar, u bent toch geen zeiler? O, u heeft een herseninfarct gehad. Wanneer? Zes jaar geleden en toch loopt u nog steeds zo raar. Ik wil ook wel even raar lopen, hoor. Nee nee, dat doe ik uit solidariteit. Goedendag mevrouw, meneer! Ja, u ziet wel dat wij raar lopen, maar wij komen toch vooruit, zoals u ziet. Wij wilden graag het adres weten van een supermarkt of smederij, waar men deze bolknak kan aansteken. U hebt geen kennis van een smederij in deze omgeving, maar een supermarkt of sigarenwinkel? Aha, op naar de Reguliersdwarsstraat!
Steeds op de stenen der straat
Werd ik zelf een der stenen;
Of ieder over mij gaat,
Nimmer zal ik meer wenen.
En zeker niet nu wij Sigarenmagazijn Van Daalen betreden. Ik steek mijn bolknak alvast in mijn mond, dan moet u maar om vuur vragen, want als ik dat doe, dan spuw ik mijn sigaar zo uit. Praten met rookgerei in de mond, dat kunnen sommige mensen wel, maar ik zeker niet! Zo, nu kunnen wij praten, de rook kringelt gezellig omhoog. Wat had u gehoord willen hebben? Iets over Bach, Nabokov, Mendelssohn, de jonge Hitler, monsieur De Candelaer, de oplettendheid van ons koningshuis, trouwens van alle koningshuizen ter wereld, Jan Dismas Zelenka en waar hij zijn vreemde middelste naam vandaan heeft gekregen, u zegt het maar. Eerst even naar binnen, naar Eva, om te zeggen dat ik er nog steeds ben.

donderdag 11 december 2008

In een leeuwenbek

Ik heb vannacht de reis die Alice en ik gistermiddag maakten nog eens overgedaan. Hoewel wel gezegd is dat dromen niets waard zijn, in elk geval niet genoeg waard om op papier te zetten, noteer ik hier toch maar wat ik droomde.
Gistermiddag reden we met de bus, de trein en met de fietstaxi naar Herengracht 609 te Amsterdam. Het ging zonder ongelukken, al was mijn hartslag oorverdovend hard tijdens de treinreis. Vannacht reden we per fietstaxi van Egmond direct naar Amsterdam, waarbij de bestuurder een lange jongeman was die tijdens het trappen af en toe bromfietsgeluiden maakte. ‘Om de snelheid te verhogen,’ zei hij.
‘Maar u heeft geen motor!’ riep ik uit.
‘Maar ik ga tóch harder!’ zei de jongeman.
‘De zoveelste met een eigen overtuiging,’ fluisterde ik tegen Alice, die rechts naast me zat.
‘Welk adres wou u hebben?’ vroeg de jongeman.
‘Herengracht 609,’ zei ik, ‘het gebouw van Uitgeverij Van Oorschot.’
‘Die zit op Herengracht 613, hoor.’
‘Doet u dat dan maar.’
Uiteindelijk belandden we in een éénrichtingsverkeersstraatje en daar stond links van de weg de heer Maarten Biesheuvel op een trap voor de deur van nummer 609. Hij rookte een sigaartje. ‘U bent vast toeristen,’ zei Maarten, ‘dus komt u maar binnen. Eva is er ook.’
Wij naar binnen, Alice had haar vele camera’s al in de aanslag, want iedereen moest gefotografeerd worden. Het was ook wel een vreemd gezelschap, waarin het helemaal niet misstond om een bloempot op je hoofd te dragen, zoals Theo ‘Krijs’ de Waard.
‘Hallo Theo, jij ook hier?’ begroette ik hem.
‘Uiteraard,’ schreeuwde Theo terug.
‘Je bloemen moeten een beetje water hebben.’
‘Dat hoeft alleen op even dagen, dus niet op woensdag. Vandaag is het woensdag.’
‘Heb je Wouter en Carla nog gezien?’
‘Nee, die komen te laat.’
‘Dan wachten we maar even,’ zei ik, en terwijl ik dat zeg staat Carla over me heen gebogen.
‘Carla?’ zeg ik.
‘Ja, houd je mond maar,’ zegt ze en ze geeft me een paar flinke klappen met twee fotoboeken, waarna ze zich opricht en over de menigte uitkijkt. Ze doet haar benen van elkaar en daar tussendoor verschijnt Wouter, die, zoals u misschien bekend is, tamelijk klein en ook tamelijk dik is. Een gezellige dikzak, zeggen we thuis.
‘Ha, die Wouter!’
‘Ha, die Ben!’
Ik til hem op en zet hem op de stoel naast Alice. Ik ga me bezighouden met De Grote Kunstenares die me net die tikken met haar fotoboeken had gegeven.
‘Waarom deed je dat nou?’ vraag ik haar.
‘Dat deed ze voor de gein,’ zegt Theo de Waard, en hij loopt dansend met Carla weg.
Dan hoor ik Wouter nog iets zeggen tegen Alice: ‘Kom toch bij míj werken!’
Alice zegt kwaad: ‘Neen! Ik heb een zoon en daar heb ik genoeg mee te stellen! En dan heb ik Ben nog, die ook allerhande dingen heeft. Dus neen, Wouter!’
Ze maakt nog een foto van de kleine, dikke Wouter en ik tik Wouter bemoedigend op zijn volle schouders en meer heb ik niet onthouden van die droom.
‘Dank je wel, schat,’ zei ik vanochtend dromerig tegen Alice.

woensdag 10 december 2008

Uit eigen ervaring

- Ze noemden me Fearless Freddie.
- Fearless Wíe?

- Fearless Freddie.
- Je durfde alles.
- Zowat wel, ja.
- Noem eens wat?
- Ik stak mijn kop gewoon in een leeuwenbek.
- Ja ja.
- Ik stak mijn kop er zo diep in dat ik in zijn huig keek.
- Dat je zijn stembanden zag, zeker.
- Die ook, ja.
- Noem nog eens wat?
- Ik hing onder vliegtuigen, toen.
- Dat was zeker in je jonge jaren.
- Jaren twintig.
- Gangetje van tweehonderd kilometer.
- Zo ongeveer, ja.
- En dan hing jij onder de staartvleugel.
- Ja.
- Duizenden mensen juichen.
- Tienduizenden.
- Het moet ook een mooi gezicht geweest zijn. Man onder vliegtuig. Je had zeker een snor?
- Een snor had ik, ja.
- Hoedje op?

dinsdag 9 december 2008

De grote stad

Straks komt Alice. Heerlijk. We weten uit eigen ervaring dat Gmail honderd mailtjes per dag aan één adres aankan. Gisteren bijvoorbeeld hebben we 115 gmails uitgewisseld onder het kopje Maandag. Dan doet gmail het zo dat 100 mails onder dat kopje staan en de 15 overige onder hetzelfde kopje.
Waarom komt Alice nu bij me? Omdat ik morgen naar de grote stad Amsterdam moet, om een glas te heffen op de verschijning van de delen I en II van het Verzameld Werk van Karel van het Reve. Dat gaat gebeuren in het gebouw van het Stimuleringsfonds Nederlandse Dinges, op de Herengracht.
Alice gaat me begeleiden, zoals dat heet. Ik zou er in mijn eentje niet toe komen, zo ver te reizen (heimwee).

maandag 8 december 2008

Ik ga ze niet verbeteren

Ik ben nooit streng geweest voor mijn kinderen. Ze mochten alles. Dat is mij, Alex Thoeman, wel verweten door sommige ouders. En ik ben hier en daar wel eens wat te toegeeflijk geweest. In het taalgebruik bijvoorbeeld.
De jongens spraken het Derper dialect. Hij leeft niet meer bijvoorbeeld, dat werd Hai laaft neeit mir. U hoort wel hoe charmant en zangerig het Derps is. Ik heb er grote spijt van dat ik dat dialect niet heb tegengehouden, want ze moesten vervolgens naar een Mulo of Lyceum (Loahsaaj’m) in de grote stad Alkmaar en daar vielen ze door de mand. Met hun toch vaak grote vaardigheden zakten ze door het ijs. Door dat dialect.
De jongens werden eenvoudigweg niet verstaan buiten het Derp. Buiten de Trompschool al bijna niet, hoor, dat moet ik er wel bij zeggen. Want ik leerde ze allerlei nieuwe woorden in het dialect, die ze hun ouders moesten uitleggen! Daar had ik plezier in. Een woord als strangdkreeltjes heb ik bijvoorbeeld in het Derps gebracht, dat betekent: krieltjes, dus kleine aardappeltjes, die op het strand groeien, dus zeer armoedig voedsel. Je kon dus bijvoorbeeld zeggen: Hai laaft neeit mir van de strangdkreeltjes. Hij is van de honger omgekomen.
Ik kom zelf uit het oosten van het land, ik ben een Twentenaar, maar toen ik hier kwam, moest ik zeer wennen aan de Derper taal. Onverstaanbaar. Hij fietst werd bijvoorbeeld uitgesproken als hai wreeit. En hij fietste dáár werd hai wreeit deer. Dus van tegenwoordige en verleden tijdsvormen wisten de Derpers niet alles.
Ik kom sommigen van mijn jongens nog wel tegen en dan praten we nog in het Derps, dain preeiten wai naag ien het Derps.

zondag 7 december 2008

Havengezichten

Dirigent en penningmeester Gerrit ‘Snuitje’ Wijker van het koor De Zâalnêelden (d.i. De Zeilnaalden) uit Egmond aan Zee: ‘Wij zijn gespecialiseerd in het zeemanslied. Op de wilde, woeste baren, Gooi los die tros enzovoorts, dat beheersen wij. Wat de zilvervloot ons bracht is ook een hitgebeuren. Daar worden nog wel wat foutjes in gemaakt, maar dat drukt de pret niet, o nee! Ansie ‘de Janker’ Zwart, die bij ons de accordeon doet, raakt elke keer weer in de war. Dat lied is in D geschreven, maar dat begrijpt ze niet, dus ze speelt het in C. Ze speelt alles in C. Maar ja. Probeer dat maar eens te veranderen. Zo heb je in het koor zelf ook verschillende zangers en zangeressen die eigenlijk niet kunnen zingen. We hebben nu zo’n vijftig leden, en ik ga ze niet verbeteren.
Kijk, een zâalnêeld is in het Derps niet alleen een zeilnaald, maar ook een vreemd uitgedost persoon, een vreemde snoeshaan. En zo zien wij er ook uit, alle vijftig. De mannen hebben zeemanskleren uit 1850 aan, de vrouwen zien eruit als vrouwen die al jaren wachten op hun mannen, die op zee zijn. Verweerde koppen, havengezichten.
Ik kreeg laatst een saxofonist langs. Die wou bij ons komen spelen, zei hij. Hij speelde behoorlijk goed, maar zijn gezicht was het niet, hè. En dat is wat telt bij ons. Dus ik heb gezegd: ga nou eerst maar eens een paar jaar oefenen, jongen. Met je gezicht in de zeewind, en ’s avonds jenever happen.’

zaterdag 6 december 2008

Zoë

- Het is 6 december 2028, het is half vijf en dit is Kunsttijd van de VPRO! Vandaag hebben we een bijzondere gast, de beroemdste schilder uit de Lage Landen, Pieter Brandsma! Ga zitten, Pieter.
- Dank u wel.
- Hoe is het zo gekomen, Pieter?
- Het begon op 5 december 2008, dus twintig jaar geleden. Ik was toen een schilder die in de Nederlandse top 100 van de kunstenaars stond.
- Op welke plaats stond u toen?
- Dat weet ik niet precies meer, ik geloof op nummer 30 of 35. Ik was toen veertig jaar oud. En op de 5e december lees ik een recensie in een blad, ik dacht dat het het Museumjournaal was, over mijn werk. Die recensie was zo vernietigend, met zinnen als ‘De doeken blijven steken in een alledaagse esthetiek die maar niet wil betoveren.’
- Welke recensent was dat?
- Dat weet ik echt niet meer. Dat soort mensen heeft namen die je snel weer vergeet. Het was een invloedrijk recensent, hij brak mijn reputatie. Maar dat duurde maar kort.
- Want wat ging u doen?
- Havengezichten maken.
- Háven...
- Dat was maar een grapje. Ik was altijd portrettist geweest, en wat is er mooier dan een jonge vrouw? Eenmaal portrettist, voor altijd portrettist. Ik ging naar het Centraal Station in Amsterdam, en daar keek ik rond. Na een paar dagen was Zoë er. Ik gaf haar mijn business card en ze belde de volgende dag op. Dat deden de mensen toen nog, elkaar opbellen.
- Dat was nog de tijd van de grote telefooncellen!
- Nee, dat was de tijd van de mobiele telefoons. Ze belt op, ze zegt dat ze wel model wil worden, wanneer kon ze langskomen? Ik zeg: kom meteen!
- En toen maakte u de eerste Zoë. En u heeft in de twintig jaren daarna alleen maar gewerkt met Zoë.
- Ja. Met niemand anders.
- En u bent er wereldberoemd mee geworden, ik denk dat het ook komt door de teksten die u op uw doeken print.
- Schildert.
- Pardon, schildert. Wat is nu uw eigen favoriete tekst die u gebruikt heeft op uw schilderijen?
- Mmm, dat zou ik eigenlijk niet weten. Die teksten kwamen altijd van Zoë. Die verzon ze. Eén van de leukste is wel een tekst uit de begintijd: ‘Qua lengte val ik wel mee.’

(De foto hierboven is gemaakt door Carla van de Puttelaar. Om te zien hoe ongelooflijk goed die foto is, moet u er even op klikken.)

vrijdag 5 december 2008

Aan de slag!

- We zitten hier wel leuk, maar je moet nog een stukje schrijven, was het niet?
- Ja. Dat moet ook nog. Laat me nog één zin toevoegen aan ons gesprek: ik kijk niet naar Korenslag.
-
Waarom niet?
- Ik heb daar geen tijd voor.
- Daar máák je toch tijd voor?
- Ja, maar als ik zo’n koor zie, gekleed in lichtblauwe hesjes en lelijke witte jurken en broeken, en Henny Huisman zegt: ‘Dit is het koor Voorwaarts uit Woerden’ — dan moet ik zo vreselijk lachen, dan heb ik verder niets meer aan mijn avond.
- Ik begrijp het. Vreemd. Henny Huisman, die voornaam, die klopt niet. Je hebt ook Ricky Gervais, maar daar klopt het wel, zou je kunnen zeggen. Daar heeft die verkleinvorm een functie. Henny zou gewoon Henk of desnoods Henri moeten heten.
- Ja. Ik zou me ook geen raad weten als ik Benny had geheten. Benny Neyman bijvoorbeeld, godverdegodver. Ik vind trouwens, net als die schrijver...
- Welke schrijver?
- Dat weet ik niet meer, en ik ben te lui om dit soort dingen op te zoeken. Ik vind dat jongensnamen éénlettergrepig moeten zijn: Aad, Ben, Cees, Dirk en ga maar door tot en met de Z.
- Zeus.
- Ja, en meisjesnamen moeten twee- of hoogstens drielettergrepig zijn: Alice, Bea, Carmen, Daisy en zo verder tot de Z.
- Zoë of Zelda.
- Bijvoorbeeld. Ik was vanochtend in de viswinkel en...
- Ik dacht dat jij vegetariër was geworden, Ben?
- Ik eet geen koeien, schapen, varkens, hoenders, paarden, herten enzovoorts. Alle landdieren dus. Ik eet wel bepaalde vissoorten: zalm, haring, sprot, makreel, tonijn, paling. Vanwege de goede vetten die die vissen bevatten. Voor mijn hart is dat.
- Je bent dus een pescotariër.
- Voor mijn part, ja. En ik eet af en toe een ei, dat moet ook mogen.
- En je draagt leren schoenen.
- Daar zei Brandt Corstius eens over: ‘Maar die eet ik toch niet op!?’ Moet je niet eens aan je stukje beginnen?
- Stukje? Daar moet jij aan beginnen!

donderdag 4 december 2008

Welkom in de club

Zo, jongens en meisjes! Prettig weekend gehad? Mooi. Vandaag gaan wij een zaag maken. Stop even met etteren, Kees! Een zaag dus. Kees, stoppen zei ik. Wij gaan volgens dit voorbeeld te werk: jullie hebben allemaal een stuk eikenhout voor jullie, jullie hebben jullie gereedschap. Ik zou zeggen: ga aan het werk!
Een zaag. Die gaan jullie maken, ja. Een zaag heeft een metalen zaagblad, met gezette tanden. Maar wij doen niets met metaal, wij doen het met hout. Dus aan het werk! Kees ook aan het werk, of blijf je etteren? Dan is het goed.
Dan ga ik even naar het lokaal hiernaast, want daar zitten ze te wachten op meneer Haarsma, maar meneer Haarsma is weer eens ziek.

Goeiemorgen, klas! Jullie zitten alweer klaar met jullie zaagjes, priemetjes en snijgereedschap, zie ik. Dat is mooi. Meneer Haarsma is weer ziek, hij belde op vanochtend en hij zei: ik kan er echt niet meer tegenop. Ik zeg: rustig uitzieken, Haarsma, dan neem ik je metaalklas wel over. Dus daar ben ik!
Wat gaan we doen vandaag? We gaan een moker maken, net zoals de moker die ik hier bij me heb. Daar gaan we een exacte kopie van maken, met dit blad zink als materiaal. Nou kunnen jullie natuurlijk denken: dat maken wij zo! Een beetje soldeer en hupsakee. Nee! De moker die jullie gaan maken, moet uit één stuk zijn. Dus wat doen jullie eerst?
Juist. Een werktekening maken. Aan de slag!

(...)

Kees! Voorzichtig met die zaag! Dát doen we niet op de Magritte School, hoor je?

woensdag 3 december 2008

Zaliger nagedachtenis

Maandagavond was de avond van Boris Ryzhy, en Wouter heeft over die documentairefilm geschreven. Prachtige losse gedachten.
Boris Ryzhy was een Russische dichter die op 26-jarige leeftijd een eind maakte aan zijn leven. Wouter stelt zich de vraag — die in de film nauwelijks aan de orde kwam — waarom hij dat deed.
Bij iemand als de Vlaamse dichter Jotie T’Hooft (1956-1977), die zoop, snoof, spoot, zijn vrouw sloeg en een paar eerdere zelfmoordpogingen had ondernomen, en die regels schreef zoals De wanden zijn wit en de psychiaters verdacht vriendelijk, kon je het al wel zien aankomen. Maar bij Boris Ryzhy?
Voor zover ik zijn gedichten ken (en ik heb er maar een paar in die documentaire gehoord) sprak er geen doodswens of doodsdrang uit zijn regels. En toch geloof ik — zuiver op statistische gronden — dat Ryzhy een depressieveling moet zijn geweest, waarschijnlijk was hij manisch depressief. Dus: welkom in de club, Boris!
Alleen had je er geen eind aan moeten maken, jongen. Zeggen je collegae Ben Hoogeboom en Stephen Fry.

dinsdag 2 december 2008

Gastvrij heerschap

Weest welkom in deez’ nederigen stulp, vrienden! Vandaag is het precies veertig jaar geleden dat mijn eerste single, Oe La La, uitkwam, met op de B-zijde het even prachtige Ga maar weg.
Iedereen kent nog wel de eerste regels van het Oe La La-lied: In Parijs daar woont een vent / Oe la la! / Die daar alle meisjes kent / Oe la la! Wonderschoon inderdaad.
Het is fijn dat u in zo groten getale bent komen opdagen op deze feestelijke herdenking, daar links achteraan is nog wel een plaatsje vrij, mevrouw. Anders moet meneer hier even opschuiven. Schuift u even op? Mooi, dan kan mevrouw ertussen.
U weet allemaal dat er in veertig jaar veel kan gebeuren. Ik sprak daar nog over met mijn voormalig collega Henk Wijngaard, die mij zei: ‘Van het ene op het andere moment was ik geen vrachtwagenchauffeur meer, maar liedjeszanger!’ Bij mij is het precies andersom gegaan. Ik ging, dertig jaar geleden, met de TROS naar de stad Jericho, nam daar een liedjesshow op, en plotsklaps openbaarde zich te Jericho het feit dat ik de mensen kon genezen met mijn liedkunst en door mijn hand op hunne hoofden te leggen. Plotsklaps!
Vanaf dat moment was ik geen liedkunstenaar, geen zanger meer, maar werd ik een liedgenezer. Dank de Heer! Ontvangt nu al Zijn gaven! / De goedheid komt nu aangemeerd te dezer rechten haven! Ik zal een voorbeeld van een handoplegging geven. Wie is daar geschikt voor... die mevrouw die te laat binnen kwam. Komt u eens naar voren, mevrouw!
Stop! Uw naam is Ina Mulleman en u komt uit ’s Gravendal. Klopt dat? Dat klopt ja, want door de genade Gods ken ik de personalia van eenieder in deze zaal. En u heeft last van uw heup, is het niet? U heeft een heupoperatie moeten ondergaan en daar heeft u nog last van. Welnu, dan zing ik u toe! En ik leg mijn rechterhand op uw voorhoofd! Concentreer u. Deze arme vrouw / Gelooft in U, o Heer! / Ze is U eeuwig trouw / Haar heupen doen zo zeer / Dus wend haar pijn af, Heer!
En dansend gaat deze vrouw nu terug naar naar plaatsje. Ze is genezen, zo doe ik dat dus. Bij de uitgang ligt een collecteschaal. De Here God zal u dankbaar zijn / En vreest niet voor Zijn wraak!
Maar het is dus allemaal begonnen op 2 december 1968 met het uitkomen van Oe La La. Dank ook aan Johnny Hoes, zaliger nagedachtenis, bij wie de single uitkwam en die mij ook later nog tekstueel heeft bijgestaan.

maandag 1 december 2008

Ik kom eraan

Vanochtend werd er aangebeld, op het meest kritieke moment dat een mens kent: ik moest hoognodig naar de wc, en ik was juist al op wég naar de wc. Ik aarzel voor de wc-deur, en ik kies ervoor de rol van gastvrij heerschap op me te nemen. Ik sluit de wc-deur en loop snel naar de buitendeur. Die open ik en op dat moment, begrijpt u al, openen zich mijn ingewanden.
‘Goedemorgen meneer!’ zegt een vief, nog tamelijk jong, goed geschoren manneke, van een soort die je ook wel aantreft in de gelederen van zo’n esoterische kerk. (Wat doen zulke mannekes toch in zo’n kerk, vraag je je af. Voorlopig houd ik het er op dat ze van kindsaf lidmaat zijn geweest, want anders moeten ze toch betaald krijgen?)
Een en ander bedenk ik nu, dat bedacht ik niet op het moment suprême, want toen gleed de racekak mijn broek in. Eigenaardig: je weet van tevoren al wat het zal worden, een stevige drol of racekak. Je darmstelsel geeft alarmsignalen af. Ik zou wel eens willen weten hoe ze dat doen.
Ik kon de racekakkerij wijten aan het eten van een feeststolletje, een uurtje eerder. Dat feeststolletje had ik afgelopen donderdag al gekocht en lag daar steeds maar. Het was waarschijnlijk over datum geweest.
Dit alles ging in een seconde door mijn kop, ik voelde de kak nu langs mijn rechterbeen naar beneden sijpelen. Het is in zulke gevallen altijd handig enige gezegdes paraat te hebben. ‘Daar is werk aan de winkel!’ luidde het mijne. Maar ik zei: ‘Ook goedemorgen, meneer.’
‘Ik ben van Qualiscope en wij willen graag weten bij welke zorgverzekeraar u bent.’
‘Aan de deur wordt niet gekocht,’ zei ik.
‘Nee nee, dat doen wij ook niet. Wij willen alleen uw mening maar weten.’
‘Dan is het in orde.’ Ik voelde de stront steeds lager zakken.
‘Bij welke zorgverzekeraar bent u aangesloten?’ vroeg het manneke, terwijl hij zijn potloodje bij een papier op een clipboard hield.
Ik wist dat dit nog een langdurig gesprek kon worden, dus ik koos een zorgverzekeraar uit mijn geheugen: ‘Achmea.’
‘Aha!’ veerde het manneke op. ‘En u weet dus al wat het nieuws is?’
‘Nee,’ zei ik. De kak zou nu langzamerhand wel bij mijn schoenen beland zijn.
‘Als u uw organen doneert, krijgt u een flinke korting bij Achmea.’
‘Inderdaad,’ wist ik nog uit te brengen. De kak was bij mijn schoenen gearriveerd.
‘Bent u daar voor of bent u daar tegen?’
Ik zei niets meer, smeet de deur dicht en ging naar de badkamer, waar ik mijn kleren uittrok en onder de douche ging.

zondag 30 november 2008

Een tikje ingewikkelder

Ik ben nooit vatbaar voor griep geweest. Zo kwam het dat op een dag in november 1984 van de tien mensen die er normaal werkten bij Drukkerij Dekker te O., er slechts drie aanwezig waren: de baas, een drukker en ik. De andere zeven collega’s waren ziek. Ik was zetter, maar op zulke dagen moet je ook andere dingen kunnen: papier voor- en nasnijden, werktekenen, donkere kamerwerk enzovoorts. Je kon me niet gelukkiger krijgen dan op zulke ziektedagen.
Op die dag in november 1984 moest ik het tweemaandelijkse blad Paard & Koets zetten. Het was een tamelijk flinke klus, met aangeleverde kopij in diverse ouderwetse handschriften, alle moeilijk leesbaar. Het was een paginaformaat van 19x26 centimeter, tekst in twee kolommen gezet. Koppen: Bodoni. Broodtekst: Garamond. U begrijpt al wel dat het geheel een wat statische, ouderwetse indruk moest maken. Tussendoor plande ik wat fotomateriaal. Ik dus aan de slag, want de proef moest die dag de deur uit.
Na een kwartiertje komt de baas me vragen of ik niet papier wil voorsnijden voor de drukker. ‘Ik kom eraan,’ zeg ik. Papier voorsnijden is leuk werk. Het leukste eraan is het papier opschudden voordat het in de snijmachine gaat.
En zo kwam de baas me gedurende die dag nog tien keer vragen voor klusjes: papier nasnijden en de vouwmachine instellen, een paar foto’s opnemen met de reproductiecamera, een geboortekaartje voorbereiden. Het was drie uur en van de 24 pagina’s Paard & Koets waren er 9 af. Ik naar de baas, ik zeg: nu moet je me tot vijf uur met rust laten, dan is Paard & Koets klaar, en anders niet. De baas zegt: oké.
Om vier uur komt de drukker de studio binnen (een ruimte waarin ontwerpers, werktekenaars, zetters en dokatechnici werken, noem je een studio) en begint daar vreselijk tegen me te uit te varen: waar ik bleef, enzovoorts. Ik zei hem eerst dat ik, gezien zijn uitspraken, veronderstelde dat hij het monotheïsme aanhing. Dat viel niet goed. Toen zei ik dat ik zou komen als Paard & Koets af was, dus om vijf uur. Maar dat was ook niet goed, want om vijf uur zou hij reeds naar huis gaan. Einde werktijd. ‘Dan gaan we naar de baas,’ zei ik, ‘de baas moet maar beslissen.’
De baas besliste dat ik door moest gaan met mijn werk, dan kon ik daarna verder gaan met andere dingen.
Niet veel later werd de drukker ontslagen en vervangen door een redelijker mens.

zaterdag 29 november 2008

Een eenvoudig sommetje

In de dertig jaar (grofweg tussen 1970 en 2000) dat ik last heb gehad van depressies, las ik zeer veel. Ik las alles, tot en met de teksten op de potjes pindakaas (‘Ingrediënten: pinda 72%, plantaardige olie en vet (gedeeltelijk gehard), dextrose, zout. Deze pindakaas bevat nuttige voedingsmiddelen zoals plantaardige eiwitten en vitamine E’).
Ik las niet alleen veel, ik télde de tekst die ik las ook, op een wijze zoals ik gisteren in mijn hoofdrekenstukje liet zien. Ik wist op een zeker moment ook: ojee, er komt weer een depressie aan. Wat gruwelijk. Wat ellendig. Weer wat later wist ik al dat er een depressie op komst was als ik extreem veel begon te lezen.
Hoe ging dat tellen nu in zijn werk? Het begon met simpelweg de letters te tellen van de woorden die ik las. Dat aantal moest dan aan het eind deelbaar zijn door drie of vijf, was het dat niet, dan verklaarde ik de tekst ‘ongeldig’.
Later werd het een tikje ingewikkelder (dat deelbaar zijn door drie of vijf bleef). Hoe telde ik? Zo.
Er waren ‘niets omsluitende’ letters zoals de H, de C, de W of de J. Die letters tellen voor 1 punt. Er waren ook de i en de j, waar het puntje boven de letter ook een punt waard was. Die waren dus 2 punten waard. En dan waren er nog letters zoals de Q, de q, de 4, de b, die een ‘omsloten ruimte’ hadden en dus ook goed waren voor 2 punten. Tenslotte waren er de B en de 8, die twee omsloten ruimtes hadden, en dus voor 3 punten telden.
U snapt nu waarom Ben 6 punten waard is, en Max 4 punten.
Ik telde natuurlijk ook de vraag- en uitroeptekens, de puntkomma’s en dubbele punten (alle 2 punten waard), de komma’s en de punten (1 punt waard). Bovendien telde ik in het lettertype dat gebruikt was. Als de tekst gesteld was in de Times, was de g drie punten waard (want hij had twee omsloten ruimtes). Was de tekst gesteld in de Haas Helvetica (dat is een heel mooie schreefloze letter), dan is die letter slechts 2 punten waard.
Je moet er een beetje gek voor zijn, dat geef ik meteen toe.

vrijdag 28 november 2008

Het antwoord is dus: vier

We gaan hoofdrekenen. Een eenvoudig sommetje. Als de naam Ben 6 punten waard is, de naam Alice 8 punten (evenveel als de naam Wouter), de naam Didier 11 punten en de naam Masjenka 12 punten, hoeveel is de naam ik moet even een goede naam bedenken, moment... — Max dan waard?
En wie weet hoe hier gerekend wordt?

donderdag 27 november 2008

Vreemd blijf ik het vinden

Het wordt vreemder en vreemder. Dit stukje is een vervolg op mijn stukje van gisteren. Daarin noemde ik mensen uit plaatsen zoals Lisse, ’t Veld, Maarssen, Soest, Horst en ook enkele plaatsen (Bavel onder andere) in Noord-Brabant. We hadden nog niemand uit Oost-Nederland. Welnu, die zijn er ook bijgekomen: mensen uit Ermelo, Doesburg, Zwolle en Borne.
Ik verwacht dat de drie noordelijke provincies zich vanavond of morgen zullen aansluiten.
Al deze mensen stellen dezelfde vraag: hoeveel dagen duurde de vierdaagse van 1971. Het antwoord op deze vraag luidt uiteraard: vier. Bliksem, hitte, stormwinden of overstromingen kunnen niet verhinderen dat een vierdaagse vier dagen duurt. Of je nu loopt of niet. Vier dagen is vier dagen.
Na het stellen van die vraag kunnen ze dit blog aanklikken en hier dus het antwoord vinden op deze moeilijke vraag, en dat zullen ze ook wel doen. Maar waar komt die vraag vandaan? Daarover breek ik me het hoofd sinds ik hem tegenkom in mijn Feedjit-spionagesatelliet.
De vraag wordt gesteld sinds dinsdagavond, tien voor acht ’s avonds, en tot een paar uur geleden. Alice veronderstelde nog dat het typisch een vraag is die door een commerciële omroep gesteld wordt, maar dat lijkt me niet goed mogelijk, gezien het tijdschema. Ook mijn eigen vermoeden dat het om een vraag uit een computercursusboek voor ouderen zou gaan, lijkt me niet langer houdbaar.
Het moet dus een vraag zijn, die in een uitgave van de Vierdaagse te Nijmegen zélf wordt gesteld. Bestaat er zo’n uitgave? Vast wel. Ik stel me een quizje voor in die uitgave. Het antwoord is dus: vier.

woensdag 26 november 2008

Leest u maar even mee

Er is iets vreemds aan de hand op dit blog. ‘Ja ja, meneer heeft het eindelijk door!’ hoor ik u zeggen, maar dat bedoel ik niet. Iets raadselachtigs is er aan de hand.
In mijn rechterkolom staat mijn spionagesatelliet Feedjit, die mij zoveel plezier bezorgt, dat ik hem iedereen aanraad (onderaan klikken voor uw eigen blog of website, hij is helemaal gratis). Je kunt ook aanklikken: Watch in real time. Dat mag ik graag doen ’s ochtends, want dan kun je zien waar je lezers zitten, hoe ze op jouw blog gekomen zijn en hoe ze weer zijn weggegaan.
Ik deed dat vanochtend dus ook, en toen zag ik dat zes of acht mensen uit alle delen van ons land op mijn blog gekomen waren na het intikken van de google-vraag: hoeveel dagen duurde de vierdaagse van 1971. Mensen uit Horst, Soest, Maarssen, Lisse, ’t Veld, en uit nog een paar plaatsen in Noord-Brabant.
Ik zeg uiteraard: mensen uit Horst, Soest enzovoorts, weest welkom en geniet volop mee van het hier gebodene! Maar vreemd blijf ik het vinden: al die zes of acht mensen stellen exact dezelfde vraag, waarop het antwoord natuurlijk vier moet zijn, zoals een driedaagse drie dagen duurt en een vijfdaagse vijf.
Hoe komt dit?, luidt mijn vraag, die te mooi is om zuiver wetenschappelijk te onderzoeken. Ik spreek hier slechts een vermoeden uit. Ik vermoed dat er een cursusboek Computeren Voor Senioren bestaat, waarin die vierdaagse-vraag voorkomt en waarbij staat: ‘Tik deze vraag in het Google vak en druk op Enter. U krijgt nu diverse sites te zien, die u kunt aanklikken en lezen.’
Als u andere ideeën heeft, of zelfs meer van de zaak weet, kunt u uw commentaar hieronder kwijt.

dinsdag 25 november 2008

De wereld bijhouden

Ja! Ik ben journalist geweest, of laat ik het anders zeggen: ik heb bij de krant gewerkt. Maar nu houd ik al het nieuws nog steeds nauwkeurig bij! En dat noteer ik allemaal ook! Kijk hier: een notitie over de aanrijding die mevrouw De Groot had in september 1988. Houd ik ook bij! Want álles moet bijgehouden worden, anders is het weg. Leest u maar even mee: ‘Heden, de 19e september van het jaar 1988, werd te 16.11 uur, mevrouw A. de Groot aangereden door een behelmde jongeman op een rode bromfiets, merk: onbekend, waarop te lezen was een tekst ‘Safari’. De jongeman droeg donkere kleding. Zijn actie was onbetamelijk. Mevrouw De Groot was gekleed in haar lichtgroene, lange jas, zodat ze zéér zichtbaar was en gemakkelijk had kunnen worden ontweken. Een en ander werd door mij, G.W.L. Groen, gezien en genoteerd voor later gebruik.’
Dus zo doe ik dat. Niets ontgaat mij, maar soms loopt je hoofd over van het vele nieuws. Vandaag is bijvoorbeeld een zeer drukke dag met die kredietcrisis, president Obama met zijn nieuwe economische team, minister-president Balkenende die weer met iets nieuws op belastinggebied kwam, dus reken er maar op dat je meer gaat betalen, volgend jaar! Maar dat nieuws knip ik eenvoudig uit de krant en het knipsel berg ik op in die kast daar, ‘Europese Nieuwsfeiten’. Voor de Amerikaanse nieuwsfeiten moeten we naar een andere kamer, loopt u even mee — voorzichtig! — ziet u wel? Drie kasten, Amerikaanse, Aziatische en Afrikaanse Nieuwsfeiten. Nu moet u zich voorzichtig — voorzichtig, zei ik — omdraaien, dan gaan we weer terug naar mijn bureau.
Want de Kleine Nieuwsfeiten zijn voor mij even belangrijk als de gebeurtenissen in Thailand of de Congo. Hier heb ik bijvoorbeeld een aantekening: ‘De onaangekondigde prijsstijgingen van bloemkool in de Super De Boer, vestiging alhier’ of hier: ‘Waarom de jeugd met messen loopt: ongebreidelde angst!’ Daar heb ik zelf nog een onderzoekje voor gedaan, ik zag mijn buurjongetje lopen, ik zeg: Kees, kom eens hier! Hij komt, en ik vraag: draag jij een mes? Hij zegt: zeker! Ik vraag: Waaróm draag jij een mes? En hij zegt: omdat ik bang ben natuurlijk! En zo had ik weer een bruikbaar nieuwsfeit. Maar nu moet u de deur weer uit, dan kan ik verdergaan met de nieuwsgaring. Loopt u voor... Voorzichtig, wou ik zeggen.

maandag 24 november 2008

Ik ga op kantoor

Toen ik achttien jaar was en de middelbare school achter de rug had, was het 1971 geworden, en ik stelde mij de vraag: wat zal ik eens gaan studeren? Ik schreef al elke dag, en ik wilde schrijver worden, dus dacht ik: Nederlandse literatuur. Dat is een mooi onderwerp. Ik kende iemand uit Limmen die ook Nederlands studeerde, en hij liet me zijn boekenlijst zien van 50 of 100 boeken. Daar schrok ik toch van, want die boeken had ik allemaal (op 1 of 2 na) al gelezen. Dan kon die studie toch weinig voorstellen, dacht ik.
Ik ging dus maar een baantje zoeken, want dan kon ik ’s avonds doorgaan met schrijven. Het was mijn eerste en enige sollicitatie. Verder ben ik in mijn leven overal vanzelf ingerold. Ik solliciteerde bij ABC Press, een fotopersbureau op de Nieuwzijds Voorburgwal te Amsterdam, recht tegenover het voormalige Telegraaf-gebouw. De sollicitatie vond plaats bij meneer Imre Nagy (spr. uit: Nodzj), de oude baas en oprichter van ABC Press, dat nu overigens allang is verhuisd naar de Oudezijds Voorburgwal.
Wat was mijn taak: de wereld bijhouden, dat ten eerste, en ten tweede de bladen bijhouden. Die bladen waren alle Nederlandse kranten, week- en maandbladen minus de damesbladen, want daarvoor was een collega bezig. Deze twee dingen combineren door bijvoorbeeld een foto van de Vietnam-oorlog niet naar de Telegraaf te sturen (dat was een zinloze affaire) maar naar Vrij Nederland of de Volkskrant. Dan wist je vrij zeker dat die foto geplaatst zou worden en dus geld zou opleveren.
Voor de Telegraaf maakte je een stapeltje foto’s à la de bovenstaande, je stapte het Telegraaf-gebouw binnen, ging een mooie maar wel versleten trap op, liep naar het kamertje van Henk van der Meyden, die dan zei: ‘Wat heb jij, jongen!’
‘Foto’s!’ riep ik dan terug.
‘Foto’s! Ik moet verhálen hebben!’

zondag 23 november 2008

Hoe de mensen leefden op de pampa’s

Toen ik in de tweede klas kwam (in 1960) kregen we meester Briefjes. We hadden in de eerste klas juffrouw Dekker gehad, die altijd rode wangen had. Appelwangen, zei ze zelf. Meester Briefjes gaf les op zijn eigen manier. Dat kon toen nog, want je werd nog niet — zoals nu — als een functioneel onderdeel van de samenleving gezien. Een onderwijzer kon alles doen wat hij wou: CITO-toetsen bestonden nog niet.
Daaraan hebben wij dus het leuke onderwijs van meester Briefjes te danken gehad. Ik herinner me zijn lessen nog zeer goed, terwijl de lessen die ik tien jaar later op de middelbare school kreeg allemaal al uit mijn geheugen zijn verdwenen.
Leuk was bijvoorbeeld zijn manier van lesgeven in de Tafels der Vermenigvuldiging. Die werden klassikaal opgedreund, waarbij hij muzikale accenten aanbracht en de zaak ook prachtig dirigeerde. Hij liet ook zien waarom het getal 63 (zeven keer negen, én negen keer zeven) door zeven en door negen deelbaar is.
Maar het mooist waren zijn verhalen over bijvoorbeeld de Mato Grosso, over de Alpen, de Rocky Mountains, over Livingstone en Stanley, over de Zuidpool. De Zuidpool wees hij dan aan op de wereldkaart die rechts aan de wand hing. Vervolgens schreef hij op het schoolbord ‘Zuidpool’, tegelijk even uitleggend waarom het níet ‘Zuitpool’ moest zijn. En dan kwam het verhaal, vol van de aangrijpende gebeurtenissen rond Amundsen, Scott en Shackleton. Sneeuwstormen. Bittere koude. Dood. Om een en ander te illustreren, liet hij plaatjes rondgaan.
Wat ik maar wil zeggen: aan een onderwijzer die een verhaal kon vertellen had je iets. Het maakt trouwens niets uit wat je vertelt aan de kinderen. Je maakt ze gewoon deelgenoot van je interesses.
Ik weet niet meer in welk verband meester Briefjes mij vroeg: ‘En wat wil jij later worden, Ben?’
‘Ik ga op kantoor,’ antwoordde ik.
‘Dus je gaat niet met je handen werken?’
‘O nee! Met mijn hersenen!’

zaterdag 22 november 2008

U-bochtje

- Dag, Bertus.
- Dag, Grard. Denk jij ook zoveel terug aan vroeger?
- Mooie tijd was het.
- Toen waren we nog jong.
- Toen punnikten de meisjes nog, ja.
- En moeder stopte je kousen ’s avonds.
- En die kousen lagen ’s ochtends weer vrolijk naast je bedje.
- Lagen? Die kousen konden rechtop staan. Van de stank.
- Mooie tijd. En wat moesten wij doen?
- Wij moesten naar school.
- In de kou.
- Godverdikkeme, wat kon het toen koud zijn!
- Ik zou best weer eens zo’n wintertje willen hebben.
- Wij zijn natuurlijk gehard. Gezicht onder het ijs.
- Kwamen we op school.
- Meester Bavink.
- Met zijn bolle kop. Zijn korte pootjes. Zegt hij: ‘Jongelui!’
- Dat zei hij elke ochtend, ja. En dan begon de les.
- Wij hebben de beginselen geleerd.
- Van meester Bavink.
- Dan wees hij met zijn stok op een wereldkaart en dan noemde hij een plaats.
- Karaganda!
- Ja, of het Fiji Eiland, Stille Zuidzee.
- Bloemfontein, wat daar allemaal verbouwd werd.
- Hoe de mensen leefden op de pampa’s.
- Allemaal dingen die wij weten.
- Dingen die de tegenwoordige jeugd niet meer weet.
- Hou op over de tegenwoordige jeugd. Geen mentaliteit.
- Ze zijn ook niet gehard meer.
- Veel te zacht, die winters.

vrijdag 21 november 2008

Naamgenoot

Ha die Wouter!
Je bent m’n eerste slachtoffer, zo waar als ik hier zit, jongen! Luister. Of nee, kijk eerst maar eens naar de naam van de afzender. Inderdaad, ik heb dezelfde naam als jij, jongen. En mijn vader heette óók Wouter van den Berg en die stuntvloog tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Ik ben van 1918 en ik ben leraar Werktuigbouwkunde geweest op de Eerste Ambachtsschool te Alkmaar. Dat was nog in de tijd dat je de jongens wat kon leren. Als ze tegenwoordig een U-bochtje moeten maken, moet je eens zien! Daar komt niets meer van terecht. De jeugd weet niet eens meer wat een U-bochtje is of waar het voor dient!
Maar luister. Wat er moet komen — want ik heb niet genoeg plezier gehad in mijn leven. Wat er moet komen is een Wouter van den Berg Fundatie. Voorzitter: Wouter van den Berg (dat ben ik dus). Penningmeester: Wouter van den Berg. Secretaris: Wouter van Berg, en dat zou jij dan mooi kunnen worden. Je schrijft toepasselijke stukjes, jongen! Leden: heten ook allemaal Wouter van den Berg. Dus ik heb nog wel een tijdje zoeken!
Wat doet die WvdBF nou zoal? Op de allereerste plaats laat de WvdBF geen kans voorbij lopen om gelden te verzamelen, die nodig zijn voor de verwezenlijking van doelstellingen, die ook internationaal van aard kunnen zijn! Daar staat het al in zijn zuiverste vorm. Jij bent vertaler, heb ik gezien, dus jij weet wel hoe dat in het Engels, Frans en Duits moet klinken.
Dus als je er wat voor voelt, ik bedoel, je begint met een advertentie op het internet met een foto van een Indiase theeplantage. Daar zet je als grote kop boven: Hulp gevraagd! En onder die foto zet je zoiets als: De onder zakenlieden gerenommeerde Wouter van den Berg Fundatie vraagt om uw geldelijke steun bij dit project in India.
En een week later neem je bijvoorbeeld een waterput in Malawi of rendieren in de schemering in Oost-Siberië. Het maakt niet uit. Als de mensen hun geld maar storten op onze rekening!
Je vraagt misschien waarom er alleen maar Wouters van den Bergen in onze stichting mogen zitten. En dan vraag ik jou, jongen: waar heb je ooit ter wereld een vertrouwenwekkender naam gevonden?
Dus doen we het?

Je Wouter van den Berg.

donderdag 20 november 2008

Meer dan twintig jaar geleden

Meer dan twintig jaar geleden overkwam mij eens het volgende. Een collega van me was bezig een stukje staal te slijpen of te schuren of hoe heet dat. Hij had geen beschermende kledij aan, hij droeg ook geen bril, dus ik ren op hem af en ik zeg: ‘Je moet naar je toe bewegen! Want die staalsplinters...’
Hij zegt: ‘Zo dus?’
En op het moment dat ik ‘Ja!’ zeg, vliegt er een staalsplintertje recht de lens van mijn linkeroog in. Hoe de precieze route van het splintertje geweest moet zijn, valt niet meer te achterhalen. Gezegd zij, dat ik ook toen al een bril droeg.
Ik dus naar het ziekenhuis toe, waar in de afdeling Oogheelkunde een oogarts werkzaam was met de vertrouwenwekkende naam W.Th.F. de Génestet. Hij zou me helpen. Ik vond in mijn geheugen enkele regels van zijn naamgenoot uit de 19e eeuw (Geneeskunst is een aardig vak, / Dat kunt ge aan ’t kerkhof vragen!) die ik oplepelde.
De oogarts glimlachte en zei: ‘Goeie dichter, hè?’
‘Nou en of,’ zei ik.
Enfin, uiteindelijk werd de staalsplinter operatief verwijderd. Ik ben het licht in mijn linkeroog kwijt, wat u kunt constateren als u mijn foto eens goed bekijkt, maar dat heeft me natuurlijk niet verhinderd vrolijk rond te rossen in mijn Aston Martin V8 Vantage. Je botst wel eens ergens tegenaan, maar grote schade is nog niet voorgekomen.

woensdag 19 november 2008

Heeft u daar een cursus voor gevolgd?

- En daar is onze volgende gast: Hoessein Al-Badr!
(Applaus.)
-
Meneer Al-Badr, u bent nu twee dagen minister van Energie. Hoe bevalt het u tot zover?
- Het bevalt mij goed, maar het departement mag wel eens een keer opgeschud worden.
- Opgeschud? Hoezo?
- Wel, er zijn een aantal ambtenaren, stegiosaurussen uit het tijdperk van de PvdA, van het CDA zelfs, die...
- Dat is wel een heel lange tijd geleden!
- Dat is inderdaad meer dan twintig jaar geleden, ja. Maar die ambtenaren zitten er nog steeds, en niet op de minste posten. Die mensen hebben vroeger ongetwijfeld hun waarde gehad, maar het is nu tijd voor een nieuwe generatie.
- Gelijk heeft u.
- Ja, die mensen hielden zich nog bezig met de kolencentrales bij Delfzijl en ze maakten plannen voor nóg een kernenergiecentrale. Hopeloos ouderwets.
- En waar gaat u zich mee bezig houden? Wat zijn uw plannen?
- In de komende vier jaar zal het Markermeer gevuld zijn met zonnecollectoren. Nu is het Markermeer nog maar voor één derde gevuld, zoals u weet. Dat moet vol. En ten tweede zal de kust in zijn geheel worden volgebouwd met windmolens. U weet dat er problemen zijn geweest met Terschelling en Ameland en ook met enkele Zeeuwse kustgemeenten. Die problemen zijn uit de weg geruimd, ik heb vanochtend verschillende vertegenwoordigers uit die plaatsen op het ministerie ontvangen. Problemen zijn uit de weg.
- Dan zijn hier nog wat vragen die door de kijkers zijn gesteld. Vraag één komt van de heer Moedema uit Heemskerk: heeft u daar een cursus voor gevolgd?
- Jazeker, meneer Moedema! Ik heb natuurkunde gestudeerd aan de Universiteit van Leiden en heb later de specialiteit Energievraagstukken gekozen.
- Dan is er nog deze vraag van mevrouw Kloof uit Schagen, die zich afvraagt hoe het met uw afkomst zit.
- Ik ben, net als u, mevrouw, Nederlander, Europeaan en wereldburger. Mijn overgrootvader Hassan Al-Badr (God - zo Hij bestaat - hebbe zijn ziel) kwam uit een klein Egyptisch dorpje in de buurt van Abu Simbel. Hij vluchtte in het begin van deze eeuw naar Nederland, en daar zit ik nu!

dinsdag 18 november 2008

In levenden lijve

Soms doen mensen vreemde dingen, maar het vreemdst vind ik ze als ze uitroepen: ‘Ik heb God gezien!’
Jarenlang heb ik gedacht dat het het beste was, te vragen: ‘En? Hoe was het met ’m?’ Maar dat vind ik nu niet meer het beste. Het beste is dóór te vragen. Je begint met te vragen: wélke God heb je gezien? Thot? Donar? Baäl? Zeus? Dan blijkt dat ze Gód hebben gezien.
Ja ja, denk je. Maar nu komen je echte vragen pas: waar, wanneer, hoe laat, waar was God toen je hem zag, zag God jou ook, praatte hij met je, was hij al oud of nog betrekkelijk jong, wat voor jasje had hij aan, welke kleur had zijn broek, droeg hij laarzen, had hij net als Sinterklaas een staf bij zich of net als Donar een moker, enzovoorts enzovoorts. Alles om de verdoolde schapen maar weer in het gareel te krijgen.
Want a) ze liegen glashard dat ze God hebben gezien, of b) ze hebben de illusie dat ze God hebben gezien. ‘Een strálend licht!’ zei hedenochtend een oudje tegen me, in het locale bejaardenhuis. Ja ja, dacht ik weer, en ik ben er verder maar niet op doorgegaan door bijvoorbeeld te zeggen dat ikzelf ook geregeld stralende lichten zie, al was het alleen maar op de Hubble-ruimtefoto’s.
Wat dan altijd weer blijkt, is dat zulke God-zieners lid zijn geworden van een Pinkstergemeente of een gebedsgezenersgroepje, want daar zitten meer mensen die God ook gezien hebben en het is altijd fijn om dat gevoel met elkaar te delen.
U weet nu dus wat u kunt doen als er een volgende keer weer een Jehovah’s Getuige aanbelt. Doorvragen, doorvragen, doorvragen. U heeft God gezien? En op welke datum was dat dan? Sprak hij in het Nederlands of sprak hij in een tongentaal? Maar hoe kon u hem dan verstaan? Heeft u daar een cursus voor gevolgd?
U begrijpt dat het voor ondergetekende steeds een groot plezier is de spot te drijven met zulke mensen.

maandag 17 november 2008

We kunnen wel wat gaan wandelen

Ik ben, door een hersenziekte waaraan ik lijd: heimwee, een slecht reiziger. Ik voel me veilig binnen het gebied dat begrensd wordt door de plaatsen Beverwijk, Uitgeest, Alkmaar en Bergen. Daarbuiten kom ik nauwelijks. Nog veiliger is natuurlijk Egmond aan Zee, en het állerveiligst voel ik mij als ik thuis ben.
Maar soms moet je alle gevaren trotseren die maar te trotseren zijn: ik ga 10 december a.s. naar de presentatie van de eerste twee delen van het Verzameld Werk van Karel van het Reve. Die presentatie zal te Amsterdam worden gehouden, op een adres dat ik wel ken, maar waarvan ik niet zeker weet of ik het hier mag noemen. Te Amsterdam dus.
Voor een gemiddeld mens is dat een wissewasje. Nietwaar, je gaat per trein naar Amsterdam, en in Amsterdam pak je een tram. Kunstje van niets.
Voor mij niet.
Het zal wel trillen en zweten worden, maar ik prijs me gelukkig dat Alice meegaat. Zij zal me van mijn heimwee verlossen. Kan ik eindelijk Wouter eens in levenden lijve ontmoeten, want hij zal ook bij die presentatie aanwezig zijn.
(O ja, Wouter. Ik mis in je blogroll de site van je vrouw Carla en de even grandioze site over het vertalen.)

zondag 16 november 2008

Rossige Jolanda!

Ze was mijn eerste liefde. Ik was zestien, zij ook. Hoewel ik uit goede bron vernomen heb dat ik behalve gek ook grappig ben als ik dronken word, was Jolanda de eerste die me zei dat ze niet van dronken kerels hield. Ze had daar deze speciale uitdrukking voor: ‘Drank in de man, ijs in de vlam.’ ‘Dat rijmt niet,’ zei ik dan, maar dat hoefde volgens haar ook niet.
We ontmoetten elkaar tijdens de Limmer kermis. Het Eerste Deunen te Limmen vond plaats op kermismaandag, begon ’s ochtends om tien uur en eindigde, dronken, om vier uur. Het waren zes uren van hevig drinken en harde muziek. Jolanda stond naast de viskraam achter Het Hoekje, kroeg te Limmen.
Ik zei: ‘Dag.’
Zij: ‘Idem dito!’
Ik: ‘We kunnen wel wat gaan wandelen.’
Zij: ‘Dat is precies wat ik ook wou voorstellen!’
Ik: ‘Zullen we naar het Stet wandelen?’
Zij: ‘Prima!’
Het Stet was een sloot aan de andere zijde van het dorp, waar tijdens de kermis allerlei verboden dingen gebeurden. Je had daar bootjes liggen waar je zo op kon komen. Het was zaak voor de straatjeugd je ‘eigen’ boot in te nemen voordat iemand anders het deed.
Ik zeg tegen Jolanda: ‘Ik heb daar een boot.’
Zij: ‘Mooi!’
Wij dus rustig wandelen naar het Stet. Half uurtje kuieren, onze handen hadden elkaar verenigd in de katholieke bidhouding. We komen bij het Stet aan, blijken alle boten al bezet te zijn.
‘Jij hebt hier een boot?’ vraagt Jolanda.
‘Nee, ja, nee.’
De rest van de dag hebben we in het gras gelegen. De meeste problemen hebben we op die middag opgelost.

zaterdag 15 november 2008

Ze hebben tegenwoordig overal cursussen voor

Beminde parochianen!
Het zal u niet ontgaan zijn dat uw kapelaan zich op het doornige pad der lust & liefde heeft begeven. Ik stel u voor: Alice S.!
Alice is, eerlijk waar, de eerste vrouw met wie ik een vleselijke bekentenis heb gehad, dat wil zeggen, sinds mijn zestiende jaar toen mijn kalverliefde voor de roodharige Jolanda mij verleidde tot soortgelijke genoegens. O Jolanda...! Rossige Jolanda!
Toen mijn buurman gistermiddag langskwam en Alice en mij ineengestrengeld zag liggen, zei hij: ‘Dag kapelaan, nat herfstweertje hè!’ Ik zei hem: ‘En dit is Alice, buurman.’ Hij daarop: ‘Nat herfstweertje, inderdaad!’
Want dat verwachten de mensen niet van hun celibatair levende kapelaan. Welnu, het celibaat is voorbij, kan ik u zeggen! Het was toch maar een erfdeel van het Roomse katholicisme, en wij zijn de Onafhánkelijk Katholieken!
Wie is dan die Alice?, zult u zich afvragen.
Wel, Alice is een gelovige vrouw van ongeveer mijn leeftijd en zij is er geensdeels op uit haar lusten op mij bot te vieren, zoals ook ik er niet op uit ben dat met haar te doen. ’s Ochtends knielen wij eerst en doen wij samen ons gebed (‘Heilige God, heilige Moeder, heilige Zoon’ enzovoorts), daarna doen wij een ‘rondje Derp’ en treden wij in contact met de parochianen.
Vanochtend bijvoorbeeld kwamen wij mevrouw Zwart tegen bij boekhandel Dekker & Dekker, die ons aansprak: ‘Zo kapelaan. Fijn weertje. Is dat uw dochter?’ Ik legde mevrouw Zwart onze relatie uit, en zij keek begrijpend. Zij zei: ‘Dat celibaat moet ook maar eens afgelopen zijn. U heeft gelijk, kapelaan. Alice, welkom!’

vrijdag 14 november 2008

Welgemeende adviezen

Mijn buurvrouw, de zigeuneres, is een oude, alleenstaande mevrouw die, enigszins hardhorend, nog steeds gelooft dat alle wereldbewoners haar kinderen zijn. Ze komt éénmaal per dag bij me langs en onze conversatie begint onveranderlijk zo:
- Wilt u ook een kopje koffie, buurvrouw?
- Nee!
- Wát!? Géén koffie???
- Doe mij maar een citroenthee.
- Wilt u er suiker in?
- Die thee is al zoet van zichzelf.
Vervolgens vliegen haar ogen in het rond, op zoek naar de bitterkoekjes die ik speciaal voor haar inkoop.
- Dáár zou ik er wel één van willen hebben, buurman!
- Uiteraard.
Ik pak meteen twee bitterkoekjes en leg die voor haar neer. Ze pakt voorzichtig één van de koekjes en steekt die in haar mond, neemt een slok thee (‘dat is om de koek weg te soppen’) en dat is het punt waarop ze begint me haar adviezen mee te delen.
- Jij waait altijd met alle winden mee, buurman.
Dat doe ik inderdaad. Als iemand vindt dat de jeugd te losbandig is, ben ik het daar mee eens. Vindt iemand anders, een halve minuut later, dat de jeugd te meegaand geworden is, dan ben ik het daar ook mee eens.
- Je moet eens leren vásthouden als je eenmaal iets vindt, buurman.
- Maar ik...
- Jawel, en daar zijn ook gerust wel cursussen voor!
- Ja, maar...
- Cursussen waar je dat kunt leren.
- O vast, maar...
- Want ze hebben tegenwoordig overal cursussen voor!
- Daar heeft u helemaal gelijk in, buurvrouw.
- Ik las laatst in de zondagskrant dat er ook reiki-cursussen zijn. Dus!
- Reiki?
- Ja. Wat dat is, stond er niet bij, maar die cursussen zijn er.
Dan neemt ze het tweede koekje, ze neemt haar laatste slok thee en ze gaat weer naar haar eigen huis.

donderdag 13 november 2008

Mijne Heren

Ik heb er waarlijk mijn best niet voor gedaan, het gebeurde gewoonweg: ik woonde tussen 1985 en ’95 achter een nabijgelegen boerderij waarin Galerie Wimmenum was gevestigd. Ik kwam geregeld in die galerie, ik zorgde dat er een maandelijks galerieblaadje kwam, en ik schreef dat galerieblaadje ook vol. Zo raakte ik bevriend met enkele schilders en beeldhouwers, die mij vervolgens vroegen of ik geen openingen van hun exposities kon doen. De bedoeling was dat ik korte lezingen zou houden, met onderwerpen naar mijn eigen keuze.
En dat wou ik wel. Het waren exposities in Galerie Wimmenum, in galeries in Emmen, Den Bosch, Alkmaar, Nijmegen.
De teksten van die lezingen zijn allemaal verloren gegaan, helaas, maar de tekst van één van die lezingen weet ik me nog min of meer te herinneren:

Dames en heren,
Als u allemaal ietsje naar achteren gaat, dan is dat beter want ik heb een forse griep onder de leden en u weet hoe besmettelijk dat is. Dank u.
(Dat deed ik omdat ik rekende dat van elke 100 mensen er minstens 2 een griepje hebben, en ze zouden mij, depressief en weerstandloos, zeker aansteken.)
Ik ben geboren op 24 september 1953 - pardon, dat is het verkeerde vel, ik moet het volgende vel hebben.
Ik ben een vriend van Jan, de maker van deze prachtige schilderijen, en ik wil het vanmiddag eens speciaal over dát schilderij daar, nummer 17, hebben. Wat zien we op dat doek? We zien een normaal Hollands landschapje, met een boerderij die in de plumpudding is gezakt. Het is een zeer geslaagd schilderij. Maar hoe komt een mens er op om zoiets te maken?
Dat zal ik u vertellen. Daar is Jan op gekomen nadat ik hem het idee aan de hand had gedaan: Jan, je moet eens een boerderij in de plumpudding laten zakken, maar de rest van het doek moet je normaal houden.
U zult misschien zeggen: wat we daar zien, is een ruïne van een boerderij. Dat is mij ook goed, en het is ook de vrije keuze van de kunstenaar geweest om het schilderij ‘De ruïne’ te noemen, waar ik een titel als ‘Plumpudding’ beter zou hebben gevonden. Je hebt als ideeënproducent nu eenmaal geen totale controle over het gehele traject, en je moet je personeel ook wat vrijheid toestaan.
Datzelfde kan gezegd worden van ‘De libelle’ die daar hangt, nummer 8. Ik zei tegen Jan: maak nou eens een libelle met een gumpotlood als lijfje. ‘Een gúmpotlood als lijfje...,’ zei Jan nadenkend. U ziet dat Jan iets anders heeft gemaakt, hij heeft een normale libelle op het doek gezet, en hoe lang heb je daar nou over gedaan, Jan? (Vier dagen!) Vier dagen, alstublieft. Want je legt éérst je oor te luisteren, je vraagt éérst alle advies op, en pas daarna ga je aan het werk. En het kan zo belangrijk zijn voor een kunstenaar - Jan zal het beamen - als die initiatieperiode, dus de tijd voordat het schilderij tot stand komt, gevuld wordt met welgemeende adviezen!
Ik verklaar deze expositie voor geopend.

woensdag 12 november 2008

Daar staan je handen niet naar

Als ik vroeger op de St. Cornelius Lagere Jongensschool voor Netjes Schrijven een 4 of een 5 als rapportcijfer kreeg, was ik al tevreden. Ben doet zijn best niet op netheid, schreef de meester of de juffrouw er dan bij. Ik deed daar wel degelijk mijn best op, maar het lukte me niet.
Het zetten van een handtekening is ook altijd een probleem geweest. Er zullen misschien wel vooraanstaande grafologen bereid gevonden kunnen worden, te verklaren dat mijn handtekening steeds door één persoon is gezet, namelijk door mij, maar zeker weten doe je niets.
Ik kan ook niet tekenen, mijn handen staan gewoon verkeerd. Verkeerd staat ze niet voor bijvoorbeeld pianospelen, ik heb zes jaar pianoles gehad, maar ik heb sinds mijn zeventiende jaar geen piano meer aangeraakt.
Wat had ik dolgraag willen tekenen, zoals bijvoorbeeld Oldrich Kulhanek tekent!
Ik heb wel de goede ideeën, maar er gaat iets mis bij het vervoer van die ideeën van de hersenen naar de vingers van mijn rechterhand. Hier is zo’n idee. Het kunstwerk heet De brief. Je ziet de schrijvende rechterhand van een briefschrijver. Hij heeft een pen om mee te schrijven. Zijn linkerhand rust naast het vel papier; er zit een pleistertje om één van de vingers van zijn linkerhand. Op het vel papier zijn te zien de woorden Mijne Heren. De verdere tekst is een wirwar van lettertjes, welke wirwar zich ophoopt tot een soort mini-vulkaan. Er stroomt lava uit.
Dus, tekenaars onder mijn lezers! Als u nog eens een ideetje aangereikt wilt krijgen, meldt het me!

dinsdag 11 november 2008

Ik begin opnieuw

- Ik begin opnieuw. Zei je dat?
- Ja.
- Oké. Dan beginnen we met je vader en moeder. Je jeugd enzovoorts.
- Ik kan me eigenlijk geen andere jeugd voorstellen, en ook geen andere vader of moeder. Dus dat houden we hetzelfde.
- Houden. We. Hetzelfde. Staat genoteerd! Wat had je veranderd willen zien?
- Ik had wel iets sportiever willen zijn.
- Dat valt me van je tegen.
- Op het Stet te Limmen kon je vroeger schaatsen. Dat heb ik nooit helemaal onder de knie gekregen. Te zwakke enkels. Ik heb ook nooit echt leren zwemmen en ik kon mijn ogen niet opendoen onder water.
- Maar je had dus sterkere enkels willen hebben. Je had willen kunnen schaatsen, en dan via het Gewest Noord-Holland de nationale ploeg in, en schitteren op het Europees Kampioenschap in het Bislet Stadion.
- Nja!
- Maar je weet wat daar de gevolgen van zijn, is het niet?
- Nee?
- Als je je al op jonge leeftijd overgeeft aan zoiets als schaatsen of voetballen, dan heb je minder tijd voor Winnetou en Old Shatterhand, voor Woutertje Pietersen en noem maar op. Dat is een schade die je nooit meer inhaalt.
- Daar heb ik niet aan gedacht.
- Want dan kun je wel alle leden van de Aegon kernploeg of van Chelsea opnoemen, maar dan heb je bijvoorbeeld nooit gehoord van Karel van het Reve. Dus had je ook hier- of hiervan nooit gehoord.
- Als dat het risico is...
- En dingen als je heimwee. Je depressies in het verleden.
- Nee, die moet je me niet afnemen. Ik geloof dat ik juist door die depressies en zo een beetje kan schrijven.
- Eigenlijk wil je dus niet opnieuw beginnen.
- Ik had wel een paar talen erbij willen leren. Russisch. Tsjechisch. Ik had wat meer van de astronomie willen weten. En vooral: ik had willen kunnen tekenen!
- Maar daar staan je handen niet naar?
- Nee.

maandag 10 november 2008

Alles liep voortreffelijk

Om redenen die te dwaas zijn om openbaar te maken, liep ik eens op een vroege ochtend door de gemeente Oosterbeek, provincie Gelderland. Niemand had mij verteld dat – dit verhaal moet anders beginnen. Ik begin opnieuw.
We schrijven het jaar 1972, ik ben 18 of 19 jaar oud en ik ben terecht gekomen in de stad Groningen. Wie ook last heeft van heimwee, weet hoe ik me in Groningen voelde. Ik loop daar over de Pelsterstraat, de Oosterstraat, de Grote Markt met zijn Martinitoren, het Noorderplantsoen en uiteindelijk ga ik een kroeg binnen. Een bruine kroeg, de naam van die kroeg kan ik mij niet meer herinneren, misschien was het wel Het hoekje, want in mijn geboortedorp Limmen heb je ook een kroeg gehad met die naam en ik had al gehoord dat vele Nederlandse plaatsen hun Hoekjes hebben.
Het was er gezellig, iedereen dronk tegen de klippen op, luidt geloof ik de uitdrukking. Op een gegeven moment - we zijn nu zeven of acht glazen bacardi-cola verder - raak ik in gesprek met iemand die beweert dat het Grunnings een zelfstandig onderdeel van het Nederlands is. Ik bestrijd dat en u zult me geen ongelijk geven: het Grunnings is gewoon een dialectje. Niks zelfstandigs aan te ontdekken. Mijn vloed van argumenten wordt zo hevig, dat de barkeeper zegt: ‘Betaal’n en opsodemieter’n!’
Daar sta je dus, midden in een stad die je niet kent en zonder slaapplaats. Ik besluit, waggelend, de stad uit te lopen en een lift te vinden die me door Friesland, over de Afsluitdijk en verder door Noord-Holland naar Limmen terug zal brengen, waarbij men in het oog moet houden dat waar een vaste wil er is, een vaste overtuiging ook postvat.
En inderdaad, ik krijg een lift, van een Mercedes ook nog! Ik stap in en ga naast de bestuurder zitten. Ik weet niet meer welke woorden we gewisseld hebben, want ik viel in slaap. Terwijl we bij Kampen de rivier de IJssel oversteken, roep ik nog ‘Afslijdduik!’ en weer val ik in slaap.
Weer wat later maakt de bestuurder me wakker en zegt: ‘Dit is het eindpunt, jongen!’
‘Bedankt, en waar zijn we nu?’ zeg ik terug.
‘Oosterbeek. Bij Arnhem.’
‘Aha! We zijn in elk geval een stukje opgeschoten! Tabee!’
En zo loop ik dus door Oosterbeek. Het klimaat te Oosterbeek gelijkt veel op het klimaat te Limmen.

zondag 9 november 2008

Hecht doortimmerd

Zo ook wij. Wij, dat waren in 1968: Bert Valkering (orgeltje), Sjaak Groot (basgitaar en zang), Henk Weeling (lead- en sologitaar), Kees Rijs (drums) en ik (dwarsfluit). De jongens hadden besloten een band op te richten, The Sorphellows (klemtoon op de middelste lettergreep), en daarmee successen te gaan boeken. Ik was de jongste van het stel, maar ik had al een jaar les gehad op de dwarsfluit, dus ik mocht meedoen.
Spelen op een dwarsfluit in zo’n bandje is overigens geen kleinigheid. Je mag er nooit een halve noot naastzitten, want dat hoort iedereen. Bert, Sjaak en Henk hadden het wat dat betreft een stuk gemakkelijker.
We repeteerden in de groene, houten schuur van bloembollen-bedrijf Engel Valkering aan de Middenweg te Limmen. Engel was Berts vader, die meer dronk dan goed voor hem was, en geregeld half of geheel dronken opdook bij onze repetities. Ik herinner me nog hoe we bloedig repeteerden op het nummer Foxy lady van Jimi Hendrix, toen Engel halfdronken de deur binnenviel, struikelde over een paar snoeren en zei: ‘Wat een rotherrie!’
Enfin, na een maand of drie hadden we een twintigtal nummers van de Rolling Stones, de Pretty Things, Jimi Hendrix ingestudeerd, alles liep voortreffelijk, maar we moesten nog een eigen nummer hebben. ‘Wacht. Dat doe ik wel,’ zei ik. Dat werd een nummer getiteld I love you strangely, waarin ook een lange solo voor de dwarsfluit zat.
Nu waren we klaar om de wereld te veroveren. We konden voor het eerst optreden in de kantine van de Melco fabriek te Heiloo, maar helaas was ik daar niet bij. Ik was ziek geworden, dus The Sorphellows deden het zonder dwarsfluit. ‘The darkest sound of North-Holland,’ schreef een recensent van de Alkmaarder Courant over dat optreden in de Melco fabriek.

zaterdag 8 november 2008

Rood van jaloezie

Ik wist niet dat ik het in me had. Ik gun ieder het zijne, ik gun sinds vanochtend zelfs de dieren het hunne. Als u een auto heeft, hoef ik nog geen auto. Als u in een villa woont met gordijnen voor de ramen, dan hoef ik daar niet te wonen. Ik ben vrij van jaloezie, heb ik altijd gedacht.
Stelt u zich een armzalig kereltje voor van ongeveer mijn leeftijd. Hij woont in een flatje, in een dorpje in de provincie. Hij is brildragend, net als ik. Hij heeft sinds ongeveer een jaar een computer, maar tikt nog steeds zijn brieven aan dezen en genen op een ouderwetse Olympia tikmachine. Dat is een andere tikmachine dan het apparaat op de foto hierboven. Waar bij u en bij mij de z zit, zit daar de w. Vreemd.
Ik ben één van zijn correspondenten. Zijn brieven hebben de neiging lang uit te vallen, en dus laat je ze een week ongelezen liggen op plaatsen die daar niet voor geschikt zijn, zodat je zo’n brief kwijt raakt. Is me al vier vijf keer gebeurd.
Dat is gelukkig geen ramp, want zijn brieven zijn altijd... weinig concreet. Hij schrijft bijvoorbeeld pagina’s lange verhandelingen over de duiven van zijn buurman. Vorige week schreef hij De Klucht met de Grasmaaier, acht dichtbetypte pagina’s A4 waarin hij vertelt met hoeveel moeite hij de snijbladen van zijn grasmaaier vervangt door nieuwe.
En op deze man ben ik jaloers geworden.
Zijn brief van vrijdag de zevende november begint met deze slotzin:

Zo ook wij.

Ik twijfel er niet aan, hoewel ik de brief nog niet gelezen heb, dat het weer een hecht doortimmerd verhaal is geworden. ‘Zie je wel, zak tabak, iedereen kan het, schrijven!’ zit ik nu in mezelf te mopperen.